de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)
Postbus 20303
2500 EH  Den Haag

Roquetaillade, 5 september 2009

 

Beroep in cassatie inzake: BK/M3-08/00242

 

Procedure van: De Hutte Holding BV p/a Montjaux Frankrijk / Belastingdienst Oost kantoor Doetinchem te Almelo.

nr. aanslag/beschikking: 64.57.502.V.70.0112

 

Geachte heer/mevrouw,

Op 28 juli j.l. heeft het gerechtshof in Arnhem uitspraak gedaan in het hoger beroep BK/M3-08/00242

Het gerechtshof heeft dit als het volgt verwoord:

4. Beoordeling van het geschil

    1. Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd dat haar standpunt als volgt kan worden weergegeven. Het thans bestaande gebruik om een vergoeding (in de vorm van rente) te betalen indien kapitaal ter beschikking wordt gesteld heeft geen reële economische grondslag, aangezien geld op zichzelf geen waarde heeft. Het leidt tot het verbreken van het machts- of ruilevenwicht ten faveure van diegene die over kapitaal beschikken. Het verlangen of betalen van een vergoeding (rente) voor het ter beschikking stellen van kapitaal zou om deze reden niet toegestaan moeten worden en vervolgens belanghebbende is dit niet toegestaan. Zij beroept zich daarbij op internationale verdragen, met name het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Nu het betalen van een vergoeding voor het ter beschikking stellen van kapitaal verboden is, is het volgens belanghebbende afortiori verboden rente tot belastbare winst te rekenen en als zodanig te belasten. Niet in geschil is dat, indien het bedingen van rente niet verboden is, de inspecteur de door belanghebbende ontvangen rente terecht tot die winst heeft gerekend.

 

    1. Het hof laat uitdrukkelijk in het midden of een verbod op het bedingen van rente wenselijk is, zoals belanghebbende stelt. Het hof stelt slechts vast dat in zakelijke verhoudingen bij het ter beschikking stellen van kapitaal rente wordt bedongen en dat zulks niet in strijd is met enige nationale of internationale rechtsregel. Met betrekking tot het EVRM leidt het Hof dit af uit het feit dat het Europse Hof voor de rechten van de Mens ook zelf partijen de verplichting oplegt rente te vergoeden over dit door het Europese Hof opgelegde betalingen indien deze buiten de door het Hof gestelde betalingstermijn wordt gedaan (zie bijvoorbeeld EHRM 16 april 2002, S.A. Dangeville v. France, Application no. 36677/97, waarin het volgende werd bepaald. “(b) that from expiry of the above-mentioned three months until settlement simple interest shall be payable on the above amounts at a rate of 4,26% per annum.

4.3       Het hoger beroep faalt

Ondergetekende1 kan niet stellen dat het vandaag verboden is dat de inspecteur belasting int over rente inkomsten. Deze vorm van inkomsten is zo normaal en vanzelfsprekend in onze samenleving dat niet gesteld kan worden dat het innen van belastingen over rente inkomsten in strijd is met de belastingwetgeving. Ondergetekende heeft aangegeven dat het vragen en betalen van rente en daarmee de belastingwetgeving in strijd is met de geest van de grondrechten in de Nederlandse grondwet en het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het feit dat het Hof in haar uitspraak gebruik maakt van het gegeven dat ook door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens rente wordt gevraagd illustreert slechts de vanzelfsprekendheid en geconditioneerdheid van onze samenleving ten aanzien van de aanname dat geld uit zichzelf geld waard is in de vorm van rente. Maar daarmee is de ter juridische afweging aangevoerde aanname dat geld uit zichzelf geld waard is nog altijd niet zorgvuldig in de juridische weegschaal afgewogen.

De aanname dat geld uit zichzelf geld waard is heeft o.a. tot het volgende geleidt:

  1. Veel wetgeving in strijd/tegenspraak is met internationale verdragen en de grondrechten binnen de Nederlandse grondwet.
  2. Een politiek-economische en naar blijkt ook een juridische spraakverwarring omdat onze economische communicatie gespleten is in een reële en een virtuele economie. Men zou dit economische schizofrenie kunnen noemen.
  3. Een gecentraliseerde machtsconcentratie aan te duiden als ‘de financiële wereld’ ten koste van de reële economie, democratie en rechtsstaat.
  4. Een bureaucratische begoocheling waardoor we niet in staat blijken om de maatschappelijke uitdagingen in het hier en nu op te pakken.

 

In een brief van 9 juni 2006 aan minister-resident Balkenende2 deed ondergetekende al het volgende verzoek:

Is er binnen onze rechtstaat een plek waar het door mij waargenomen fundamentele en chronische maatschappelijke onrecht voor de rechter kan komen, zonder meteen de nek omgedraaid te worden door de juridisch-bureaucratische machinerie?

Het gaat mij niet om het (belasting)geld, het is wat mij aangaat geen ordinair akkefietje tussen een bedrijf en de belastingsdienst, maar het gaat me om het fundamenteel functioneren van onze economische communicatie, de fundamenten van onze rechtsstaat en democratie. Welke vandaag te beschouwen zijn als maffieus, kafkaiaans, chronisch onrechtvaardig en ondemocratisch. Dhr. Balkenende uw regering zal ongetwijfeld vele argumenten hebben om deze problematiek ‘links te laten liggen’. Daar kan ik psychologisch alle begrip voor opbrengen, maar het blijft een wrange appel waar we als samenleving individueel en gezamenlijk vroeg of laat door heen zullen moeten bijten.Vandaag zijn we met zijn allen lafaards, gelovigen in een bureaucratisch-juridische ingedekte hefboom, een politiek-economische luchtbel zonder wortels in de samenleving, ten koste van onze leefomgeving, democratie, rechtsstaat en de zwakkeren in de samenleving.

Juridisch en wettelijk gezien staat niet het functioneren van de belastingdienst en de inspecteur van de belastingdienst ter discussie, zij doet slechts dat wat haar is opgedragen binnen de politiek-economische context welke we vandaag als normaal binnen de Nederlandse samenleving kunnen beschouwen. Nee, wat ondergetekende vanaf het begin van de correspondentie met de minister-president, de hoge raad, de tweede kamer, de inspecteur van de belastingdienst en de procedure bij de rechtbank en het gerechtshof heeft ondergetekende de historisch minstens vijfduizend jaar oude aanname dat geld uit zichzelf geld waard is in de vorm van rente in de juridische waagschaal te laten wegen. Zowel bij de rechtbank als bij het hof is de aangegeven problematiek niet eens in de buurt van de juridische weegschaal gekomen. Ter illustratie een opmerking van de voorzitter van het hof: “U denkt toch niet dat we hier het financiële systeem ter discussie gaan stellen?”  Dit is een deur die tijdens de procedure gesloten is gebleven maar geopend dient te worden om de aangekaarte problematiek werkelijk wettelijk te kunnen beoordelen.
Maar komen we door het beoordelen van een vijfduizend jaren oude aanname niet in een juridisch niemandsland terecht? Vijfduizend jaar geleden waren de omstandigheden op aarde onvergelijkbaar met die vandaag. Met een richting zeven miljard mensen groeiende wereld bevolking zijn de uitdagingen onvergelijkbaar met die van vijfduizend jaar geleden. Denken we werkelijk dat we die door toenemende economische groei/winst kunnen voeden, kleden van schoon drinkwater , huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg3 kunnen voorzien? We hoeven geen helderziende te zijn om te zien dat we ons vroeg of laat dood zullen groeien/verstikken. De ontwikkeling van een mens is tot zijn volwassen leven gebaseerd op groei, daarna is het vooral zoeken naar een juist evenwicht. Een politiek-economisch systeem dat zich vooral baseert  op groei, meer nemen dan dat we investeren, geeft in feite aan niet volwassen te willen worden. Hebben we individueel, politiek, juridisch en zakelijk de moed om ons eigen functioneren binnen het geheel, in dit geval de Nederlandse samenleving ter discussie te stellen, het evenwicht proberen te herstellen. Is Nederland veel te klein om zoiets te doen? Moet dit internationaal en van bovenaf geregeld worden? Dan kunnen we wachten tot we een ons wegen en zal er niets maar ook niets veranderen om gezond en rechtvaardig evenwicht te creëren. De enige verandering die we kunnen realiseren is de verandering in ons zelf. Alleen dan zal de wereld om ons heen in beweging kunnen komen omdat we bewust worden, essentieel deel uit te maken van de Nederlandse samenleving. Wat niets anders is dan de intenties die we neergelegd hebben in de grondrechten binnen de Nederlandse grondwet en mensenrechten zoals weergegeven in het Europese verdrag voor de Rechten van de Mens. Wat we ergens lijken te zijn vergeten is dat dit onze plicht is en niet de exclusiviteit is van een instituut of een ver van ons bed functionerend systeem.

Ondergetekende heeft geprobeerd de discrepantie tussen de intenties van de internationale mensenrechten, Nederlandse grondrechten en het te onnadenkend en blindelings uitvoeren van de belastingwetgeving welke gebaseerd zijn op de aanname dat geld uit zich zelf geld waard is, aan te geven. Het gaat hierbij niet om een schuldige aan te wijzen maar om het bewust te worden van de gezamenlijke uitdaging die voor ons ligt.

Ondergetekende hoopt dat de Hoge Raad haar wettelijke bevoegdheid zal gebruiken om de Nederlandse wetgever duidelijk te maken dat de onrechtvaardige onevenwichtigheid die de aanname dat geld uit zich zelf geld waard is in de vorm van rente hersteld dient te worden.

Hoogachtend,

De Hutte Holding BV
Peter Hoopman
P/a Château de Roquetaillade
12490 MONTJAUX
Frankrijk

1 Ondergetekende voelt zich geen eiseres of belanghebbende in de persoonlijke zin van het woord, wel in de zin van: deel uitmakend van de samenleving.

2 Een kopie van deze brief is destijds ook naar de Hoge Raad verstuurd.

3 Artikel 25 universele verklaring van de rechten van de mens (VN)

    • Een ieder heeft recht op een levensstandaard, die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waaronder inbegrepen voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging en de noodzakelijke sociale diensten, alsmede het recht op voorziening in geval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom of een ander gemis aan bestaansmiddelen, ontstaan ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.

     

    Tweede brief als reactie op repliek van de Secretaris-Generaal van de Belastingdienst.

     

 
  Terug naar de beginpagina Enkele vragen